NJF Special Matiging van boete

mr. R.J.Q. Klomp en mr. H.N. Schelhaas (gast-)redacteuren
 
Voor advocaten is het moeilijk vooraf in te schatten wanneer een boete wordt gematigd (art. 6:94 BW). In deze NJF special zijn 37 uitspraken over matiging bijeengebracht. Met deze bundeling worden een aantal algemene lijnen in uitspraken van rechters blootgelegd.
Direct bestellen
Tijdschrift, Online naslagwerk
€ 33,00
  • Prijs per stuk (incl. btw)
  • Losse order
Alle bestelopties
Beschrijving

Matiging van contractuele boetes: de praktijk

1. Inleiding

Het is een bij uitstek feitelijke vraag waar de lagere rechters zich mee geconfronteerd zien: moet een contractuele boete in een bepaald geval op voet van art. 6:94 BW worden gematigd? Weliswaar kan de lagere rechter steun ontlenen aan de wetsgeschiedenis en aan een aantal uitgangspunten dat de Hoge Raad heeft geformuleerd, maar matiging blijft feitelijk maatwerk dat afhankelijk is van de feiten en omstandigheden van het geval. Voor advocaten die hun cliënten moeten adviseren, en voor debiteuren en crediteuren is dat vervelend: op voorhand is vaak moeilijk in te schatten wanneer een contractuele boete zal worden gematigd.

Om deze reden is de onderhavige NJF special gewijd aan uitspraken van lagere gerechten uit 2010 en 2011 ten aanzien van de matigingsvraag. Deze aflevering bevat de belangrijkste uitspraken op het gebied van matiging afkomstig van rechtbanken hoven van medio 2010 tot en met 2011[1]. Wij hebben deze uitspraken geanalyseerd en hebben bezien of een aantal algemene lijnen ten aanzien van de matigingsvraag kan worden getrokken. Dat lijkt inderdaad het geval te zijn.

Om onze conclusies beter inzichtelijk te maken, besteden wij eerst kort aandacht aan de achtergrond van de in art. 6:94 BW besloten liggende rechterlijke matigingsbevoegdheid, waarna wij de uitgangspunten die uit de uitspraken naar voren komen belichten.[2]

2. De achtergrond van de matigingsbevoegdheid ex art. 6:94 BW

De achtergrond van de matigingsmogelijkheid van boeteclausules is betrekkelijk helder. Contractuele boetes kunnen op verlangen van de schuldenaar door de rechter worden gematigd 'indien de billijkheid zulks klaarblijkelijk eist'. Dat is een terughoudend criterium, omdat, zo blijkt onder meer uit de Toelichting Meijers bij art. 6:94BW[3],

"(…) het uitdrukkelijk overeengekomene in de eerste plaats bepalend is."

De rechter moet dus, aldus nog steeds de Toelichting Meijers

"(…) van zijn bevoegdheid om in te grijpen spaarzaam gebruik (…) maken."

Wanneer is dan voldaan aan dit terughoudende matigingscriterium? Het enkele uiteenlopen van boete en werkelijk geleden schade is daartoe onvoldoende,[4] maar indien de bedongen boete in verhouding tot de schade als gevolg van de overtredingen buitensporig is kan wèl aanleiding bestaan tot matiging.[5] De Hoge Raad bevestigt in HR 27 april 2007, NJ 2007, 262 (Intrahof/Bart Smit) de in de parlementaire geschiedenis uitgezette terughoudende lijn, door te oordelen dat matiging pas aan de orde is

"(…) als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt (…). Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen."

Alleen ten aanzien van eenheidsboetes, waarbij één contractuele boete in werking treedt bij een veelvoud aan tekortkomingen die uiteenlopen in ernst, is het uitgangspunt anders en ligt matiging in de woorden van de Hoge Raad 'in beginsel voor de hand' om zo 'te differentiëren naar gelang van de ernst van de tekortkoming waardoor zij is verbeurd en van de schade die daardoor is veroorzaakt'. Dit is de Monda/Hauer-jurisprudentie.[6]

3. Algemene lijnen

De uitgangspunten zijn dus betrekkelijk helder, maar de praktijk is vaak weerbarstig en het is dan ook de vraag hoe feitenrechters deze in de praktijk brengen. Uit de hierna weer te geven uitspraken destilleren wij een aantal algemene tendensen.

In de eerste plaats blijkt dat de in de parlementaire geschiedenis uitgezette, en in het Intrahof/Bart Smit-arrest bevestigde, terughoudende matigingskoers door de lagere rechters wordt gevolgd. Zo wordt in het merendeel van de gevallen niet gematigd en wordt hierbij doorgaans expliciet verwezen naar in de parlementaire geschiedenis neergelegde en in het Intafhof/Bart Smit-arrest bevestigde terughoudende karakter van de matigingsbevoegdheid. Ook in de gevallen waarin wèl tot matiging wordt overgegaan (15 van de 37 weergegeven uitspraken) wordt veelal voorop gesteld dat matiging pas aan de orde is indien sprake is van een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat, waarna met een uitgebreide motivering wordt toegelicht waarom de contractuele boete in dit geval niettemin wèl moet worden gematigd.[7]

Verder komt in de hierna weer te geven uitspraken een aantal factoren naar voren dat herhaaldelijk door feitenrechters wordt betrokken bij het oordeel dat een contractuele boete moet worden gematigd. Zo wordt onder meer in een groot verschil tussen schade en boete vaak rechtvaardiging gevonden om de contractuele boete te matigen,[8] en wordt ook het gedrag van eiser betrokken bij het matigingsoordeel.[9] Indachtig de hierboven weergegeven Monda/Hauer-jurisprudentie is matiging uiteraard ook aan de orde indien het een eenheidsboete betreft die een veelvoud aan tekortkomingen sanctioneert.[10] Daarnaast wordt in een aantal gevallen dezelfde contra-indicatie voor matiging genoemd: de nuttige functie van het boetebeding. Deze functie wordt gevonden in het feit dat een contractuele boete dient als een aansporing tot nakoming en daarmee de rechtszekerheid dient. Een te snelle matiging verhoudt [zich?] niet met deze functie.[11]

Een derde uitgangspunt bij matigingsvragen dat uit de gepubliceerde uitspraken naar voren komt, is dat een verzoek om matiging goed en ook concreet moet worden gemotiveerd: regelmatig wordt een verzoek om matiging gepasseerd omdat het onvoldoende concreet is onderbouwd.[12] Wil een beroep op matiging dus enige kans van slagen hebben, dan dient het uitgebreid te zijn gemotiveerd.

Een laatste lijn die wij uit de uitspraken destilleren is de onwilligheid van de rechter om een (NVM-) contractuele boete die wordt gesteld op het niet of vertraagd afnemen van onroerend goed door een particulier te matigen: in slechts zes van de twintig gevallen (waarvan het bij twee situaties ook nog om een eenheidsboete gaat, waar matiging sowieso 'in beginsel voor de hand ligt') wordt tot matiging overgegaan.[13] In de meeste van deze gevallen wijst de rechter het verzoek tot matiging af, onder meer omdat een dergelijke contractuele boete 'gebruikelijk' is.[14]

4. Conclusie

De vraag of en in hoeverre tot matiging van contractuele boetes wordt overgegaan blijft feitelijk maatwerk, dat afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden van het specifieke geval. Uit de in deze aflevering van het NJF opgenomen uitspraken blijkt wel dat lagere rechters de terughoudende vingerwijzingen uit de parlementaire geschiedenis en de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten redelijk volgen. Daarmee is beter voorspelbaar naar welke kant een matigingsverzoek uitslaat.

 

Voetnoten

[1] Zoals gebruikelijk worden in de NJF uitspraken gepubliceerd die door de gerechten dan wel door partijen aan de redactie worden toegezonden (en niet noodzakelijk ook op www.rechtspraak.nl worden geplaatst) en tevens de belangrijkste uitspraken die op www.rechtspraak.nl verschijnen.

[2] Overigens heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de matigingsbevoegdheid van artikel 6:94 BW analoog kan worden toegepast op zogenaamd oneigenlijke boetebedingen; zie HR 16 september 2011, LJN BQ8098. Er moet dan wel sprake zijn van bijzondere omstandigheden; zie HR 27 april 2007, LJN AZ6638, NJ 2007, 262.

[3] Parl. Gesch. Boek 6, TM, p. 324.

[4] Parl. Gesch. Beok 6, TM, p. 324 en PG Boek 6, MvA II, p. 325.

[5] HR 11 februari 2000, NJ 2000, 277 (Kok/Schoor).

[6] HR 13 februari 1998, NJ 1998, 725 (Monda/Hauer I), m.nt. Jac. Hijma en HR 26 oktober 2001, NJ 2002, 595 (Monda/Hauer II), m.nt. Jac. Hijma.

[7] Zie bijv. Rb. Den Haag, zaak-/rolnummer 356999/HA ZA 10-201; Rb Den Haag, geen LJN, zaak-/rolnummer 374002/HA ZA 10-3086; Rb Arnhem, LJN BQ9968; Hof Den Haag, LJN BR5288; Hof Arnhem LJN BO7394; Rb Dordrecht, LJN BP2244; Rb Zutphen 18 augustus 2010, zaak-/rolnummer109887/HA ZA 10-741.

[8] Bijvoorbeeld Rb Den Haag, geen LJN, zaak-/rolnummer 356999/HA ZA 10-201 (boete van € 237,50 per dag van 1 januari 2009 tot 1 januari 2011 terwijl niet gesteld is dat enige schade is geleden wordt gematigd tot een kwart); Rb Arnhem, LJN BQ9968 (boete van € 1.761.750 buitensporig hoog onder meer omdat schade onvoldoende inzichtelijk is onderbouwd: matiging tot € 1.200.000); Hof Den Haag, LJN BR5288 (schade nihil tegenover contractuele boete van € 10.000: matiging tot nihil); Rb Den Haag (kg), 11 juli 2010, zaak-/rolnummer 364858/KG ZA 10-535; Hof Arnhem LJN BO7394 (boete van € 925.000 terwijl eiser onvoldoende heeft betwist schade te hebben geleden: matiging tot € 100.000); Rb Dordrecht, LJN BP2244 (boete van € 45.061 gematigd tot € 18.330 onder meer omdat de verhouding tot de schade (een paar honderd euro beslagkosten en 10 maanden dubbele huur) buitensporig is; Rb Zutphen 18 augustus 2010, zaak-/rolnummer109887/HA ZA 10-741 (boete van € 21.252 gematigd tot € 7.590 onder meer omdat een wanverhouding bestaat met de werkelijke schade van € 1.414,03.

[9] Hof Den Bosch 7 juni 2011, LJN BQ7629 (matiging mede omdat ook aan de eiser valt het een en ander te verwijten met betrekking tot de vertraagde nakoming door debiteur); Hof Den Haag LJN BR5288 (bij de matigingsvraag werd acht geslagen beklemmende SMS-jes van crediteur); Rb Arnhem, LJN BQ9968 (matiging van een boete op het niet-nakomen van een minimum-afnameverplichting wordt gematigd onder meer omdat beide partijen, dus ook eiser, bij het sluiten van de overeenkomst van een te optimistische verkoopprognose zijn uitgegaan en eiser de producten met onvolkomenheden op de markt heeft gezet); Hof Leeuwarden 5 oktober 2010, zaaknr 200.033.318 (mogelijke bedreiging van derden in aanwezigheid van schuldeiser)

[10] Zie Rb Assen 20 juli 2011, zaak-/rolnummer 68331/HA ZA 08-460; Hof Leeuwarden 31 augustus 2010, zaan 200.027.643

[11] Hof Amsterdam 5 juli 2011 zaaknummer 200.058.079 (het boetebeding vormt een aansporing tot nakoming en draagt bij aan rechtszekerheid); Hof Amsterdam 15 november 2011, zaaknummer200.083.757 (contractuele boete beoogt debat over de hoogte van de schade juist te voorkomen); Hof Leeuwarden 14 december 2010, zaaknummer 200.008.985 (contractuele boete beoogt voetbalgeweld te voorkomen, en tracht daarmee een maatschappelijk probleem te beteugelen); Hof Arnhem LJN BP3614 (contractuele boete is een preventief werkende sanctie waardoor nakoming wordt bevorderd); Hof Den Bosch LJN BN8054 (boetebeding werkt als prikkel tot nakoming).

[12] Zie bijv. Rb Den Haag 6 april 2011, LJN BQ0814; Rb Den Haag 28 juli 2010, zaak-/rolnummer 358846/HA ZA 10-0492; Rb Den Haag 30 maart 2011 zaak-/rolnummer 377685/HA ZA 10-3653; Hof Arnhem LJN BO9000; Rb Den Haag 26 januari 2011, zaak-/rolnummer 358101/HA ZA 10-391

[13] Rb Den Haag, zaak-/rolnr. 374002 HA ZA 10-3086; Hof Den Bosch, 7 juni 2011, LJN BQ7629; Rb Assen 20 juli 2011, zaak-/rolnr. 68311/HA ZA 08-460 (betrof eenheidsboete); Rb Zutphen 18 augustus 2010, zaaknr. 109887/HA ZA 10-741; Hof Leeuwarden 31 augustus 2010 (betrof eenheidsboete); Hof Leeuwarden 5 oktober 2010, zaaknr. 200.033.318.

[14] In de volgende gevallen werd een matigingsverzoek bij afname van onroerend goed door een particulier afgewezen: Rb Den Haag, 6 april 2011; Hof Amsterdam 5 juli 2011, zaaknummer 200.058.079; Hof Amsterdam 15 november 2011, zaaknr. 200.083.757; Rb Den Haag 28 juli 2010, zaaknr. 358846/HA ZA 10-0492; Rb Den Haag 30 maart 2011, zaaknr. 377685/HA ZA 10-3652; Hof Leeuwarden 23 november 2010, zaaknr. 200.031.074; Hof Arnhem 26 oktober 2010, zaaknr. 200.032.897; Hof Leeuwarden, zaaknr. 200.021.074; Rb. Almelo, LJN BO7443; Hof Arnhem, LJN BO900; Rb. Den Haag 26 januari 2011, zaaknr. 358191/HA ZA 10-391; Hof Den Bosch LJN BN8053; Hof Den Bosch LJN BN 8869; Rb Middelburg LJN BO 4564.

Meer lezen
Bijlagen
Voorbeeld pagina's
Alle bestelopties
€ 33,00
Prijs per stuk (incl. btw) | Losse order
 

Veelgestelde vragen